Slot (Hi)story

Gepubliceerd op: 21 februari 2016 00:00

Het was een mooie zaterdag in juni. Sjoerd had vrij. In de krant had hij gelezen dat het dief- en duifhuisje open was en dat er in het Slotpark een rondleiding werd gehouden. Hij was bezig om een hoop troep op zijn zolder op te ruimen. Maar eigenlijk had hij daar al lang genoeg van. Toen Anna hem naar beneden riep voor de koffie, stelde hij haar dan ook voor om ’s middags naar het Slotpark te gaan.

Dat leek Anna wel wat en ze vond dat hun zoon Sam misschien ook wel mee wilde. “Die vindt dat misschien ook wel leuk. Anders zit hij toch maar achter zijn laptop.” “Maar is de zolder dan al af?” Vroeg ze. Sjoerd dacht dat het de komende week toch zou gaan regenen en dan was het goed weer om de zolder af te maken.

Bij het dief- en duifhuisje trof Sam een paar vrienden van school en ze vermaakten zich met de schandpaal waarin ze zich lieten fotograferen. Behalve Sjoerd, Anna en Sam liepen er meer mensen mee in de rondleiding door het park. Onder hen was ook Dirk-Jan die nog steeds niet verder mocht met zijn verbouwing en de rondleiding wel een leuk tijdverdrijf vond. De twee mannen herkenden elkaar maar het bleef bij een groet.

De rondleider vertelde het verhaal van de Hoekse en Kabeljauwse twisten. De bezoekers verbaasden zich dat die oorlog zo dichtbij in het Slotpark ook intensief was gestreden. En hij vertelde het verhaal van het nieuwe slot van Van der Veecken die als aandeelhouder ook rijkdom had vergaard dank zij Piet Hein die de Spaanse Zilvervloot versloeg. Sjoerd vroeg zich daarbij af hoeveel Spanjaarden er op last van die kasteelheer waren vermoord. Maar die zouden zeker niet hier begraven liggen. Vervolgens hoorde hij van de rondleider dat slotheren en slotvrouwen toen ook eigenaar van de steenplaats waren. De rondleider wist niet hoe oud de steenplaats was. Maar bij de gerestaureerde steenovens inNieuwerkerk aan den IJsselstond op een afbeelding dat huizen in de voormalige Nederlandse koloniën zoals in Indië, Brazilië, en Sri Lanka van ijsselsteentjes waren gebouwd. Die stenen waren als ballast meegenomen in de schepen die specerijen, slaven en andere handelsartikelen gingen ophalen.

Dirk-Jan voelde een kriebel opkomen. Want zijn lijk was gevonden op het terrein van de oude steenplaats. Wat zou daar gebeurd zijn en waarom. Maar hoe kwam je daar achter. Thuis gekomen bedacht hij dat hij eens moest gaan praten met een vroegere buurman van hem uit de Oude Plaats die altijd veel had gedaan met de Capelse historie. Misschien had die ideeën.

De voormalige buurman hoorde het verhaal aan, hij had er al van gehoord, maar had geen tijd omdat hij zelf met een historisch onderzoek bezig was. En eigenlijk vond hij al die leken op historisch gebied maar lastig. Want ze deden toch niets met de tips die hij hen gaf. Maar dat zei hij niet hardop. Hij raadde Dirk-Jan wel aan om te gaan kijken in het Rotterdamse archief of daar iets te vinden was over de steenplaats. En misschien was daar ook nog iets te vinden van de administratie van de lidmaten van de Dorpskerk uit die tijd. Maar dat was voor Dirk-Jan inderdaad te veel. Het bleef er bij.

Die zomer ging Dirk-Jan met zijn familie op vakantie naar Grobbendonk. Op de camping. Ze fietsten graag en dat kon in dat grensgebied heel goed.

Op een morgen raakte hij voor het toiletgebouw aan de praat met een wat oudere man die daar een vaste standplaats had. Dat leek Dirk-Jan niets. Altijd hetzelfde, jaren lang, zomers lang. Maar de man vertelde hem dat hij ‘s zomers op de camping was en net als Dirk-Jan veel fietste. Maar in de winter zat hij een paar keer in de week in het Rotterdamse archief dingen uit te zoeken. En hij vond dat een heerlijke combinatie. Dirk-Jan vertelde hem van het oude lijk dat in zijn tuin was gevonden. En dat hem was verteld hoe hij dat uit kon zoeken. Maar dat hij dat niet zag zitten. Ondanks dat hij heel nieuwsgierig was. Administratie was niet zijn ding. Hij was beter in klussen.

Maar Henk was wel geïnteresseerd. Hij had pas nog allerlei zaken uitgezocht over een oud kasteel in IJsselmonde. En ze spraken af dat als Henk terug was in Rotterdam, Dirk-Jan bij hem langs zou komen met alles wat hij inmiddels al wist.

En zo gebeurde. Eind september ging Dirk-Jan naar Henk en vertelde hem het hele verhaal. En ook het advies dat hij had gekregen om zowel de registers van de kerk als de historie van de steenplaats uit te pluizen. Henk dacht na en zei dat de steenplaats lastiger was dan de kerkregisters. Maar de kerkregisters bevatten wel veel gegevens waarin het moeilijk zoeken was. Vooral ook omdat 400 jaar geleden te globaal was om precies te zoeken. Maar Capelle was toen nog maar een klein dorp en dus zou het aantal mutaties in de registers wel meevallen. Henk stelde voor dat hij in 1600 zou beginnen. Dirk-Jan begon zowaar enig begrip te krijgen voor al die administraties en stemde in. Op de vraag of Dirk-Jan een keer mee wilde zei hij toch maar nee. Daar zou hij vrij voor moeten vragen. En hij wilde zijn vrije dagen toch maar liever aan de verbouwing en aan het fietsen besteden.

Toen hij op een avond met zijn verbouwing bezig was, stond ineens Sjoerd voor de deur. Die vertelde dat het onderwerp hem ook niet had los gelaten. Hij was op internet gaan zoeken en had wat publicaties over vroegere steenbakkerijen gevonden en kwam dat voor Dirk- an langs brengen. Die was daar blij mee en al pratend constateerden ze samen dat ze tevreden moesten zijn dat ze nu leefden en dat ze niet 400 jaar geleden op een steenplaats hadden gewerkt.

Het duurde ongeveer een maand toen Henk belde. Hij had wat gevonden vertelde hij en wilde dat graag laten zien. Het was mooi weer en hij kwam wel op de fiets naar Capelle. Dirk-Jan maakte nog evende plaatswaar het graf gevonden was vrij van onkruid. Als Henk hem kon vertellen hoe het zat dacht hij eraan om er een kleine koperen gedenkplaat te plaatsen. Hij was zo nieuwsgierig.

Henk wilde meteen bij binnenkomst al beginnen te vertellen. Hij had haast geen tijd voor de koffie die Piet, de man van Dirk-Jan voor hem in ging schenken. Wat hij te vertellen had was dan ook de moeite waard. In de kerkregisters van de Dorpskerk in Capelle had Henk het volgende gevonden. Op 23 maart 1615 was vermeld dat ene Govert Dirksz. was dood verklaard na vermissing. Hij was 46 jaar op dat moment. Maar wat er verder nog over deze Govert stond vermeld was minstens zo interessant. Deze Govert was steenbaas op de steenfabriek van het Slot van Capelle in de Oude Plaats. Hij was altijd ongehuwd gebleven. Een zuster van Govert en de Heer van Capelle zelf hadden er bij het kerkbestuur op aangedrongen dat Govert als overleden werd uitgeschreven omdat hij al een half jaar zoek was en niet de gewoonte had om Capelle te verlaten. Ze dachten dat hij verdronken was door een val uit een boot waarmee op de rivier klei werd gebaggerd. Daar ging Govert vaak kijken en hij kon niet goed zwemmen.

Maar uit de registers bleek ook dat 2 jaar eerder het kerkbestuur Govert voor een gesprek had uitgenodigd omdat er geruchten waren over sodomie op het Slot, waarbij Govert zou zijn betrokken. Omdat er verder geen concrete beschuldigingen waren werd Govert slechts voor de ernst van deze geruchten gewaarschuwd . En men had Govert ernstig aangeraden zich verder zedelijk te gedragen en een vrouw te zoeken. Een diaken wilde zo nodig wel voor hem pleiten bij een fatsoenlijke weduwe in het dorp. Maar daar was Govert kennelijk niet op ingegaan. De registers vermeldden geen huwelijk van Govert.