Proloog

Gepubliceerd op: 26 september 2013 11:18

Dirk-Jan woonde achter het Slotplein. Zijn woning stond in een kleine wijk waarop de gemeente het stempel had gedrukt van beschermd dorpsgezicht. Hij had al een tijdje een conflict met de gemeente, omdat toestemming voor een aanbouw achter zijn huis erg lang op zich liet wachten. Bij zijn aanvraag had hij tekeningen van de serre gedaan, maar de gemeente vond dat de gebruikte materialen bij de uitstraling van de buurt moesten passen. Dat was het nadeel als bewoner van een historisch pand.

Dirk-Jan werd het wachten zat en had afgelopen zomer een kleine aannemer uit Rotterdam de opdracht gegeven om alvast te beginnen met de aanbouw. De toestemming zou hij toch wel krijgen. Toen de bestelbus van de aannemer voor de deur stopte, begon de bouw van de serre. Die had eerst de tuin ontdaan van alle bestrating, planten en bomen. Er zou een vijftien centimeter dikke betonnen fundering moeten komen waarop de serre van glas en aluminium gerealiseerd zou worden. De aannemer begon te graven, sleuven voor de verzwaringbalken onder de betonnen plaat. Halverwege stuitte hij op een harde ondergrond. Hij hakte met zijn schep, nog geen meter diep in de natte aarde en er kwam een bot boven. Verbaasd groef hij voorzichtig verder en meer botten kwamen bloot. Het leek op een scheenbeen, verder kwam er een dijbeen en een bekken bloot. In de grond bleek een compleet menselijk skelet te liggen. De aannemer stopte met zijn graafwerk en riep Dirk-Jan.

Die dag kreeg een brigadier op het Capelse politiebureau een telefoontje. Toen hij met een politieauto bij de woning van Dirk-Jan aankwam en achterom liep naar de tuin was zijn eerste reactie bij de aanblik van het grotendeels blootgelegde skelet; ‘De rigor mortis is wel in een erg ver gevorderd stadium.’

‘Maar wat moet ik er mee?’vroeg Dirk-Jan.‘Het lijkt erop dat het menselijke resten zijn die al heel lang in de grond liggen. Voorlopig mag er niets meer gebeuren en moet alles zo blijven liggen.’

’Hoezo? Weet je wat het precies is dan?’

‘Nee, dat weet ik nog niet. Daarom mag je even niets doen.’

‘Trouwens,’ zei de brigadier. ‘Ik ga specialistische kennis raadplegen.’

‘Maar kan ik dan niet meer verder?’ vroeg de bewoner verontwaardigd.

‘Nee, stoppen met het graven. Ik zal het als archeologische vondst aanmelden,’ was het resolute antwoord van de politieman. Hij vervolgde zakelijk; ’Je had ook een vergunning aan moeten vragen om hier te graven, meneer.’
‘Zover was ikzelf ook al. Had ik mijn mond maar gehouden dan had ik gewoon verder kunnen gaan met mijn verbouwing,’snoof Dirk-Jan verachtelijk.

De brigadier schudde zijn hoofd.’Dat heb je niet gedaan daarom stop je nu, voorlopig tot alles weer vrijgegeven wordt.’
Met tegenzin stuurde Dirk-Jan de aannemer weg, die niet-begrijpend zijn schouders ophaalde.
De volgende dag kwam er personeel van het Bureau Oudheidkundig Onderzoek van de Gemeente Rotterdam, die in de regio archeologische bodem vondsten beoordeeld. Het hele skelet werd voorzichtig vrij gegraven en toen deden de archeologen een ontdekking. Het skelet lag op de rug en toen het verder vrij werd gemaakt zagen zij het lemmet van een half vergaan mes tussen de schouderbladen zitten. Er werden van alle kanten foto’s gemaakt, er werd gemeten en er werd een situatietekening gemaakt van de vondst. Zorgvuldig werden de menselijke resten schoongemaakt en meegenomen voor onderzoek.

Een van de oudheidkundige medewerkers zei tegen Dirk-Jan dat het misschien wel eens van waarde kon zijn voor de geschiedenis van Capelle.

‘Het is toch gek, in de huidige moderne tijd denk je niet meteen aan eeuwenoude geschiedenis in je achtertuin,’antwoordde Dirk-Jan en ging een week later weer verder met de uitbreiding van zijn woning.
Een paar maanden later kwam er een rapport waarin de forensische deskundigen een conclusie beschreven. Omdat er in de natte grond geen zuurstof bij kon komen waren de botten en de resten van het mes redelijk bewaard gebleven. Het lemmet was haast helemaal vergaan maar het hoornen heft was nog in takt. Uit de stand van het mes, schuin omhoog, en de plaats waar het mes het lichaam binnen was gedrongen, tussen de schouderbladen, trok men de conclusie dat de sleutelbeenslagader doorboord moest zijn. Omdat je zelf onmogelijk een mes met kracht tussen je schouderbladen kan steken, was zelfmoord uitgesloten. De officiële doodsoorzaak was dan ook hoogstwaarschijnlijk moord. De menselijke botten waren van een man van één meter zeventig en hij had ongeveer vijfenzestig kilo gewogen. Aan de hand van de tanden kon de leeftijd worden vastgesteld, ongeveer vijfenveertig jaar en door middel van koolstofdatering kon de Rijksuniversiteit in Groningen een indicatie geven van de ouderdom van de botten. Het tijdstip van overlijden moest haast vierhonderd jaar geleden zijn. De deskundigen legde de ingetekende vindplaats op een tekening uit die tijd en toen bleek dat de middeleeuwse menselijke resten hadden gelegen in, of in de buurt, van de slotgracht van het voormalige Slot Capelle. Meer onderzoek was niet mogelijk en niemand wist wat er precies was gebeurd.
Zeker was dat er op geheimzinnige wijze een moord was gepleegd op een onbekende man meer dan vierhonderd jaar geleden. De echte gebeurtenissen rond de moord van de onbekende man zullen misschien wel nooit bekend raken.
Een mysterie. 

Vierhonderd jaar eerder

Schipper Aert en Jacob, zijn schippersknecht, hadden het koud door de ochtendmist die opsteeg van het water. Hun kleren voelden klam aan. Jacob kreeg kippenvel en wreef ruw over zijn armen. Hij zag er slaperig uit en gaapte. Ze waren bij de eerste ochtendschemer gaan varen, nog voor het eerste hanengekraai.

Het was de laatste dag van april 1615, de zon was de afgelopen week vol beloften geweest over de komende warmte maar in de vroegte was het nog koud, de zon had nog weinig kracht.

Aert, een krachtig gebouwde dertiger met een ruige baard, lang krullend haar, een scherpe blik onder zijn borstelige wenkbrauwen en gekleed in een grof gebreide wambuis, voer met zijn botter, een klein houten schip met staand want, op de IJssel, stroomopwaarts in westelijke richting.

Hij was een zalmvisser. Zijn vader was boer geweest en als bijverdienste ging hij op zalm vissen. Die kwam er al gauw achter dat de zalm een belangrijke handelswaar was en dat je dat als boer er niet even bij kon doen. Hij maakte er zijn beroep van. De vis kwam in de belangstelling tijdens de vastendagen die de Rooms Katholieke kerk voorschreef, dan mocht er geen vlees gegeten worden, maar wel vis. Verse zalm voor de hoge heren en gedroogde zalm voor de gewone man.

Al jong ging Aert met zijn vader mee en een paar jaar geleden had zijn vader hem gevraagd of hij de visserij van hem over wilde nemen. Hij wilde wegens ouderdom bedanken en stoppen met vissen. Het werd allemaal vlot geregeld, de jongen werd visser en zijn vader kreeg in ruil daarvoor een verzorgde oude dag. Aert kreeg de boot en de visrechten en werd visbaas. Hij kreeg het visrecht voor twee steken. Twee haast honderd meter lange schuttingen van gevlochten wilgentakken die loodrecht in de rivier stonden en waaraan de zalmfuiken waren vastgemaakt. Zijn steken stonden in de buurt van het veer in Kralingen, ter hoogte waar de IJssel in de Maas stroomt.
Een aantal steenworpen daarvandaan stond, onder aan de dijk, ook de woning van Art en zijn vader. Als de visserman de dijk opliep kon hij uitkijken over de rivier en het uitgebreide polderlandschap met langs de sloten wilgen, hier en daar wat vlierstruiken en wilde rabarber. Er was geen ander huis in zicht, wel zag hij aan de overkant het profiel van kasteel IJsselmonde en als hij de andere kant opkeek kon hij, bij helder weer, Rotterdam zien met de contouren van de Grote Kerk.

Zijn huis was wat minder onderhouden. De zwart geteerde houten voorgevel had duidelijk betere tijden gekend en de stenen zijmuren waren verweerd en groen uitgeslagen. Aan de voorkant een klein lapje perfect geschoren gras dat werd omzoomd door lage struiken en een moestuin. Daar stonden een paar staken waar zijn fuiken te drogen werden gehangen en waar ook zijn zalm, ontdaan van kop en ingewanden, in de zon en wind werd gedroogd.
Aert had de visrechten voor twee steken maar hij was nog nooit gecontroleerd, dus had hij illegaal een derde steek in het water gezet. Hij maakte daar geen geheim van en omdat iedereen dat wist werd hij gewaarschuwd door de waterschout. Die had hem dringend bevolen om de illegale derde steek weg te halen. Die had gezegd; ’Als je de steek gelijk weghaalt, zul je van mij geen last meer hebben. Maar dan ook gelijk.’

Aert had de steek weggehaald en had daarna niets meer gehoord van de rechtsdienaar.‘Dat is maar goed ook, dat hij verder niets doet, anders had in mijn maatregelen moeten treffen,’ zei hij tegen knecht Jacob met een knipoog terwijl hij met zijn wijsvinger een horizontaal gebaar maakte ter hoogte van zijn keel.
Maar het betekende dat ook een derde van zijn inkomen verdween en dat begon hij te voelen. Daarom had hij de illegale steek weer gezet. Op een andere plek. Nu dichter naar de begroeide oever en dieper in het water. Weg uit de vaarroute en uit het zicht van de langs zeilende beurtschippers die tussen Rotterdam en Gouda voeren. Vanaf de oever was hij niet te zien, alleen vanaf de overkant en dan alleen nog als het heel erg laag water was. Geen haan die ernaar kraaide, er kon weinig mis gaan. De enige die dat wist was zijn hulp Jacob, verder niemand. Jacob wist het sinds kort omdat hij alleen in de zomermaanden als schippersknecht werkte, als de zalmen de rivier opzwommen. Als Aert hem niet nodig had, verrichtte hij werk voor het metselaarsgilde. Voor hem was er werk genoeg, er was altijd wel ergens een bouwplaats.

Meestal was de vangst goed. Af en toe zat er ook wel eens een verdwaalde steur in zijn fuiken, maar deze keer niet. Ook nu hadden ze een goede vangst. Alhoewel, de eerste steek was niet zo succesvol, ook de tweede leverde niet erg veel op maar de laatste fuiken van de illegale steek zaten vol. Nu hadden ze toch nog een stuk of zestien zalmen van een redelijk formaat in de viskaar onderin de boot. Er zat een prachtig exemplaar bij van haast tachtig centimeter, Aert schatte hem op vijfentwintig pond. Eén van de eerste zomerzalmen die op weg naar de paaigronden stroomopwaarts in zijn fuik was beland.

‘Dat is een mooie,’mompelde Jacob terwijl hij het grote beest met moeite omhoog hield.Aert knikte goedkeurend. Dat was een vis voor de eigenaar van het Slot Capelle, Johan van der Veecken, een groot visliefhebber. Van de kasteelheer, en eigenaar van de heerlijkheden Capelle en Nieuwerkerk, had Aert de visrechten gepacht voor twee steken en op voorwaarde dat de mooiste vis naar het kasteel werd gebracht. De rest van de vis werd door Aert gedroogd en verkocht.

Van der Veecken had geld. Veel geld. Hij was stadspensionaris van Rotterdam en gold als de rijkste koopman van de stad. De van oorsprong Belgische handelaar was niet alleen stinkend rijk geworden met de handel in Italiaanse fijne stoffen, wijn uit Frankrijk en exotische specerijen, maar ook als reder en financier van de Rotterdamse Oost-Indische compagnie.

Van der Veecken wilde een luxe buitenhuis waar hij zijn zakenpartners kon ontvangen. Hij begon een megaproject en had het sprookjesachtige kasteel in Capelle een paar jaar geleden laten bouwen, compleet met torens, een dubbele gracht en een ophaalbrug. Het was nog niet helemaal klaar, maar de koopman verbleef er al. Zijn andere woning stond aan de Rotterdamse Hoogstraat en werd nu meer en meer als kantoor gebruikt. Hij was vijfenzestig jaar, begon wat moeilijker te lopen, had een constante rugpijn en had een hart dat niet zo best was, het klopte soms onregelmatig en hij had het advies gekregen om het wat kalmer aan te gaan doen. Om de aan hectiek in Rotterdam te ontsnappen had hij zijn intrek genomen in het haast afgebouwde kasteel. De ergste kou was voorbij en de wegen waren beter berijdbaar dan in de winter. Het weer knapte op en nu kon hij elke dag gehaald en gebracht worden. Een karos met een voerman haalde van der Veecken dagelijks op. Het koetswerk was met leren riemen aan de assen opgehangen, zodat er een goede vering ontstond en de koopman comfortabel en zonder rugpijn kon reizen. Het was een vaste route, over de Veenweg via het dorp Kralingen naar Rotterdam.

In het vooronder lagen wat wilgenstaken, om zijn steken te repareren, en wat reserve fuiken, daar tussenuit pakte Aert een fles en zwaaide hem heen en weer voor het gezicht van Jacob zijn knecht, die, gekleed in eenvoudige grove werkmanskleding, met zijn magere gestalte aan de helmstok stond. Zodra Jacob de fles zag, begonnen zijn ogen te flonkeren. Het was een goede knecht, tien jaar jonger dan Aert, met een vlassig baardje, maar hij had het buskruit niet uitgevonden.

‘Een slok op de goede vangst en tegen de ochtendkou, mijn vriend,’zei hij met een glimlach en streek over zijn borstelige wenkbrauwen. Hij trok de kurk uit de hals van de fles en gaf hem aan Jacob. Die rook de sterke alcohol geur en zette hem, ondanks het vroege uur, aan zijn mond. De weldadige warmte van de brandewijn verspreidde zich via zijn slokdarm en zijn maag naar de rest van zijn lichaam. Dat was een goed gevoel, weg met de kilte.

‘Dank je wel baas,’zei Jacob en zette de fles weer aan zijn mond en nam nog een slok. ‘Zo krijg je warme botten,’zei Aert en pakte glimlachend de fles terug en nam ook een slok. Het was stil op het water. Vogels kwetterden tussen het riet en insecten dansten boven het water. Achter de wilgen lag het uitgestrekte, zompige polderland met traag kauwende koeien in de weilanden en af en toe een boomgaard. Er stond een redelijk sterke wind en het getij hadden ze mee, de reis naar de aanlegplaats van het Slot Capelle ging gestaag met het kleine gaffel getuigde scheepje. De zeilen bolden zich en de wind gaf het vaartuig een duwtje. Al gauw merkten ze dat de mist eindelijk optrok en zagen ze in de verte de contouren van de scherpe spitsen, het dak van rode pannen en de voorgevel van het imposante stenen kasteel boven de dijk uitsteken. Een uniek bouwwerk in de regio.

Bij de aanlegplaats gaf Aert aan Jacob de opdracht om de zeilen te reven en naar de kade te bomen om aan te leggen. De schipper stapte van zijn schip, pakte de mand met de zalm aan van zijn knecht, klom de dijk op en liep langs wat fruitbomen en een kleine moestuin met kruidenbedden, die bij het kasteel hoorden. Toen liep hij langs de slotgracht met het stinkende, stilstaande water, de ophaalbrug voorbij. Op het kasteel zelf was hij nog nooit geweest, dat kende hij alleen van de buitenkant. Aert vond dat niet zo erg, want hij zou zich daar binnen, met al die luxe, toch niet behaaglijk voelen.

Hij kuierde op zijn gemak met de zware mand naar de deur van het koetshuis, een van de bijgebouwen van het slot, waar de bedienden van de kasteelheer woonde. Een haast nieuw, statig huis met boven de slaapvertrekken van de bedienden en beneden de werkruimten, de keuken, de linnenkamer en de wasruimte. Aert liet de deurklopper op de deur vallen. Hij hoorde gestommel en de deur werd geopend door de bediende, een magere jonge vrouw gekleed en een lange zwarte rok met daarover een schort, een lichte linnen bloes en een wit kapje op haar hoofd, met een kinband.

‘Goede morgen Aert, alles goed?’zei ze en mompelde verder wat over het weer. De visser groette haar en met een hoofdknik liet zij hem binnen. Het rook er lekker naar exotische kruiden. Dat kwam uit de voorraadkelder, van de monsters die Johan van der Veecken, als handelaar in specerijen daar opgeslagen had. Hij liep, met de mand voor zijn buik, door een lange gang met zwarte en witte marmer vloertegels naar de Delfts blauwe keuken. Het vertrek stond vol met potten en pannen, stenen kruiken, drinkbekers en borden, het zag er proper uit en er was een andere bediende bezig het vuur in de grote gemetselde schouw op te rakelen. De jonge vrouw veegde een paar losse uien en wortelen aan de kant die op de eikenhouten keukentafel lagen en pakte twee grote platte borden. Aert tilde de vis uit de rietenmand en legde de enorme vis op de twee borden en zei,’Alstublieft juffer.’
‘Wat een joekel. Dat is een mooi beest,’zei de keukenmeid. ‘Die is voor de kokkin.’

Ze pakte een linnen doek, maakte die nat en legde hem over de vis.
Ze praatten nog even over de mooie vangst maar Aert moest tegen de getijde stroom en wind in terug en kon niet lang blijven. De visser maakte aanstalten om weer weg te gaan.

‘Ik moet er vandoor, ik heb mijn tijd nodig.’
‘Wacht even. Ik heb nog wat voor je, voordat je weggaat,’zei ze terwijl ze haar handen afveegde aan haar schort en pakte van de broodplank een half roggebrood en een worst en gaf het aan Aert. ‘Voor jou en Jacob, het ontbijt.’

De eerste zonnestralen kwamen door de keukenramen naar binnen. In de verte luidde de klok van de dorpskerk. Het was negen uur.