Het keukenmeisje

Gepubliceerd op: 22 november 2015 00:00

´Wacht even. Voordat je weggaat, ik heb nog wat voor jou.´ De keukenmeid, die Izabel heette, veegde haar handen aan haar schort af, pakte een halfje roggebrood en een grote worst van de tafel en gaf die aan Aert. ´Ontbijt. Voor jou en Jacob.´ ´Dank je wel, Izabel. Wat attent en lief van jou.´ ´Graag gedaan, Aert,´ zei Izabel.

Aert wilde net met het brood en de worst de deur uitgaan, toen Izabel hem tegenhield. ´Wat is er,´ vroeg hij.
Vergeet niet om met Jacob te praten. Want je weet wat ik voor hem voel en jij kent hem als de beste. Hij is vaak met jou samen. Jullie zijn vrienden, goede maatjes. Dus jullie bespreken ook veel met elkaar. Ik dring niet tot hem door. Het lijkt alsof hij zich schaamt voor mij. Misschien omdat ik een bediende ben. Dat weet ik niet. Maar hij is vaak afstandelijk. Vooral als er iemand in de buurt is. Ik kan zo niet leven. Je weet dat ik van hem hou. Heel veel van hem hou, zelfs. Maar dat geheimzinnige gedoe van hem ben ik meer dan zat. Ik weet niet waarom hij zo doet. Ik zou best willen weten wat hij denkt. Wat zijn plannen met mij zijn. Want geloof me, op deze manier kom ik niet verder. Het lijkt alsof mijn leven is geblokkeerd. Bij Jacob weet ik niet meer hoe en wat. Ik weet alleen dat ik van hem hou en dat ik verder met hem wil. Ik wil trouwen, kinderen krijgen, samen aan onze toekomst bouwen. Is dat dan teveel gevraagd?´

Ze keek Aert met een vragende blik aan. Hij had aandachtig naar haar staan luisteren. Na een paar seconden zei hij: ´Oh, lieve Izabel. Dat weet ik ook niet. Ik weet ook niet wat Jacob denkt en ook niet wat zijn plannen zijn. Maar ik zal het er met hem over hebben. Al zal hij het niet op prijs stellen dat ik me ermee bemoei. Dit is iets tussen jullie. Maar ik zal heel voorzichtig met hem gaan praten.´
Izabel was ineens opgelucht. Haar mooie ogen straalden bij de gedachten dat het gesprek tussen Aert en Jacob haar liefdesverdriet zou doen verdwijnen. Spontaan, en blozend, gaf ze Aert een vluchtige zoen. Aert merkte dat Izabel bloosde. Glimlachend ging hij de deur uit.

Izabel ging fluitend aan haar werk. Ze hoopte dat Jacob na het gesprek met Aert zou veranderen en haar als zijn partner zou zien. Dat hij haar zou laten merken dat zijn liefde voor haar net zo echt is als haar liefde voor hem. En dat hij haar accepteert hoe zij is en ook wat zij is. En niet meer een stiekem kusje achter de keukendeur of een liefkozing in de kelder of op de zolder van het koetshuis van het Slot van Capelle.
En het is altijd stiekem en ook even snel wanneer hij zin heeft en het hem uitkomt. Het lijkt net een spel dat hij speelt als hij zich

verveelt. Maar nu, na zoveel tijd, dat wij wat met elkaar hebben wordt het langzaam tijd dat het bekend wordt dat wij een stel zijn. Dat wij geliefden van elkaar zijn. Bij het woord geliefde stond Izabel even stil. Ze belandde in dromenland.
Ze droomde en droomde en fantaseerde. In haar droom zag zij zichzelf als een gravin en haar geliefde Jacob als de graaf van het Slot van Capelle. Ze zag zichzelf in een heel mooie lange jurk, die op een galajurk leek. Ze had haar haar opgestoken met een paar mooie glinsterende spelden. In haar oren had ze smaragd groene oorbellen. Ze waren mooi en groen, net als haar mooie groene ogen. Om haar hals had ze ook een smaragdgroene ketting. Aan haar voeten droeg ze mooie zwarte schoenen met wat hogere hakken. Daardoor leek ze nog langer dat ze al was. Zij zag zichzelf in haar droom lachend en stralend voor de spiegel staan. Ze straalde al de schoonheid uit haar lachende gezicht. Ze liet zien hoe mooi ze was met haar, als witte parels, glanzende tanden.
Na de bewondering in de spiegel liep Izabel haastig in haar mooie galajurk door het Slot van Capelle. Over een paar minuten zou het galafeest beginnen dat Izabel heeft georganiseerd voor haar geliefde Jacob omdat hij jarig was. Dus later toen Isabel op de trap haar eerste stappen zette om naar de ontvangsthal beneden te lopen, zag zij de ogen van de aanwezigen op zich gericht. En tussen al die mensen stond hij, haar geliefde, haar prins, haar lieve Jacob. En met een brede lach op haar gezicht liep Izabel de trap af richting haar geliefde Jacob. Toen ze in elkaars armen belandden, gaven ze elkaar een zoen. Arm in arm liepen ze de dansvloer op. En ze dansten en dansten. Izabel genoot dansend in de armen van haar geliefde.
Plotseling kwam er een einde aan haar droom. Ze schrok wakker van de keukendeur die met een harde klap werd opengegooid door het strenge hoofd van de huishouding. Die was op zoek naar Izabel om haar opdracht te geven om het avondeten voor te bereiden. Ze bleef de naam van Izabel roepen. Tot ze Izabel met haar verschrikte ogen zag. Ze vroeg aan Izabel wat er met haar was gebeurd. ´Waarom kijk je zo geschrokken?´

De keukenmeid keek haar bazin aan. Daarna keek ze om zich heen. Ze realiseerde zich dat ze in de keuken stond. Ze schrok opnieuw toen ze erachter kwam dat ze aan het dagdromen was geweest. Ze rende de keuken uit. Haar bazin riep: ‘Izabel, Izabel.’ Maar Izabel luisterde niet. Ze rende door naar haar kamer. Huilend stond ze voor de spiegel. Het was te mooi om waar te zijn, dacht ze. Het was zo´n mooie droom. Ik was lekker aan het genieten in de armen van mijn geliefde. En die heks moest mijn droom verstoren. Het was zo heerlijk in zijn armen daar in het midden op de dansvloer met al die mensen om ons heen.
Ze pakte een linnendoek, doopte die in de kan met waswater en veegde daarmee haar rollende tranen weg. Ze haalde diep adem, bond haar lange haar tot een staart en liep terug naar de keuken. Haar bazin, de heks die volgens Izabel haar mooiste dagdroom had verstoord, richtte zich tot haar. Ze vroeg wat er met haar aan de hand was; ‘Wat is er gebeurd?’ Izabel hield echter haar mond en ging verder met haar werkzaamheden. Het schoonmaken en bakken van de vis. De vrouw schudde haar hoofd en liet Izabel verder met rust.
Een paar dagen later, op een avond, was Jacob uitgenodigd om bij Izabel te komen eten. Toen hij klaar was met vissen stond het avondeten in het koetshuis al klaar. Izabel gedroeg zich zoals gewoonlijk tegen over Jacob. Na het eten zocht Jacob Izabel. Maar ze was nergens te bekennen. Hij keek in de keuken. Ze was er niet. Hij liep naar boven en klopte op de deur van haar kamer. Geen gehoor.
‘Mmm,’ dacht hij. ‘Waar kan zij nou zijn? Wat is er met haar aan de hand?’
Op zoek naar frisse lucht liep hij naar buiten, de tuin in. Terwijl hij door de tuin liep zag hij in de verte Izabel in het gras, bij de slotgracht zitten.

Diep in gedachten verzonken, hoorde en zag Izabel hem niet aan komen lopen. Toen Jacob dichterbij kwam zei hij; ‘goedenavond Izabel.’ Ze hoorde zijn worden en tilde haar hoofd omhoog. Ze keek recht in zijn mooie blauwe ogen en op het zelfde moment dacht ze oh, god wat heeft hij mooie ogen. Ze zijn zo mooi en blauw als een zonnehemel. Het lijkt of ze zo kunnen toveren, dat Izabel er van in de war van raakt. Jacob merkte dat hij haar in de verlegenheid bracht en hij maakte daar mooi gebruik van. Hij boog zich voorover en zijn lippen raakten de lippen van de keukenmeid. Zo werd ze alleen nog meer in verlegenheid gebracht en ze verlangde naar nog zo´n zoete zoen van Jacob.

De nacht heeft Jacob met Izabel doorgebracht. Ze beloofden dat hun liefde voor elkaar eeuwen zou duren. En met die mooie belofte vielen ze in elkaars armen in een diepe slaap. Die nacht droomde Izabel van een groot feest in het Slot van Capelle. Het was haar bruiloft. Ze zag zichzelf, als een gelukkige vrouw, in de armen van Jacob op de dansvloer.
Een paar dagen later was Jacob met zijn vissersboot vertrokken naar Zeeland. Op de keukentafel liet hij een brief voor Izabel achter met daarin de uitleg over het hoe en waarom van zijn vertrek. De eerste die de brief zag was het hoofd van de huishouding. Die pakte de brief en gooide hem in het vuur van de brandende open haard. Weg ermee.
Omdat Izabel de brief zelf niet had gezien vroeg ze zich ´s avonds af waar Jacob bleef. Want hij was altijd op tijd op zijn afspraakjes. De hele nacht had zij op hem gewacht. Maar hij kwam niet. De dag daarna ook niet. Dagen en weken gingen voorbij maar Jacob kwam niet opdagen. Izabel werd steeds meer ongerust en verdrietig. Ze kon ook niet meer eten, drinken en niet meer slapen.

Ze lag alleen maar huilend in bed. Ze weigerde elke hulp die ze aangeboden kreeg. Werken in de keuken kon zij ook niet meer. Doordat ze niet at werd ze steeds magerder en na al die weken en maanden van verdriet was ze brood en brood mager geworden. Ze sloot zich hele dagen op in haar kamer. Om te huilen en te piekeren. Ze vroeg zich af waarom hij haar had laten zitten. Waarom hij was weggegaan. En waarom hij haar niet had meegenomen. Hield hij wel echt van haar. Of was het slechts een spel dat hij speelde omdat hij zich verveelde. Het waren vragen waarop ze het antwoord niet wist.
De tranen lippen langs haar wangen vanwege de gedachten dat zij verder moest zonder haar geliefde Jacob. Haar hart deed vreselijk pijn. Haar lichaam trilde van angst dat ze hem nooit meer zou zien. Van pijn sloot zij haar ogen en dacht aan hun laatste nacht, bij de herinnering smolt ze weg. Meer dan herinneringen had ze niet. Maar met alleen maar herinneringen kon ze niet verder met haar leven. Ze wilde niet leven zonder Jacob en ze besloot een einde te maken aan haar leven. Ze besloot om een afscheidsbrief aan haar geliefde te schrijven.

Ze schreef:
Lieve Jacob. Ik heb altijd van je gehouden met mijn hele hart en met mijn hele ziel. Maar helaas hield jij niet van mij. Je liep zomaar weg zonder afscheid te nemen. Zonder een woord te zeggen, zonder te groeten, zonder afscheid, zonder zoen. Waarom deed je dat Jacob? Kon je dan niet houden van mij? En je had mij trouw beloofd, dat wij voor altijd samen zouden zijn. Maar waar ben je nu, nu ik je nodig heb, nu ik verdrietig ben. Zo wil ik niet meer leven Jacob. Zonder jou wil ik dat niet meer, want zonder jou heeft verder leven geen zin.
Misschien zien wij elkaar ooit nog eens aan de ander kant van de sterren en misschien dat jij dan wel van mij kan houden en lief voor mij zijn. Tot die tijd zeg ik vaarwel Jacob. Ik zal wachten op jou aan de ander kant.
Jouw lieve Izabel.

Izabel sloop het kasteel in en liep met een touw door de lange diepe kelder. In een van de hoeken van de gewelven van het Capelse slot stopte ze. Ze maakte het touw vast aan een balk en daarna deed ze het touw om haar nek.
Het keukenmeisje prevelde een gebedje en een paar seconden later sloot Izabel definitief haar ogen; in een paar seconden tijd had ze moeder aarde verlaten.

Dagen en weken hebben ze naar haar gezocht maar ze was nergens te bekennen. Ze zochten haar overal. Bij familieleden, bij vrienden en kennissen maar niemand had iets van haar gehoord of haar gezien. Maanden gingen voorbij maar Izabel bleef weg. Het was een mysterieuze verdwijning. Niemand begreep er iets van.
Een paar maanden later kwam Jacob weer terug in het Slot van Capelle. Hij merkte dat het er zoals hij gewend was, rustig was. Alleen was Izabel nergens te bekennen. In de keuken werkte een onbekend meisje. Jacob vroeg aan Aert waar ze kon zijn. Aert keek hem diep in de ogen en zei: ‘Jacob, we weten het niet. Ik heb haar helpen zoeken maar we kunnen haar nergens vinden. Wat we weten is dat ze een afscheidsbrief heeft geschreven. Ik vermoed dat ze dood is.’
Jacob keek hem ernstig aan. ‘Wat zeg jij nou? Waar heb je het in godsnaam over? Wie is er dood? Wat is hier aan de hand. Vertel op.’

Aert begon te vertellen wat hij in de brief had gelezen, over het verdriet en het lijden van Izabel. Hij vertelde hem dat zij het moeilijk had nadat hij zonder afscheid van haar te nemen was vertrokken. Ze stortte in. Ze at niet. Ze dronk niet. Ze sloot zich in haar kamer op en werd magerder en magerder.
Wat zeg je me nou, Aert,’ zei Jacob. ’Ik heb een lange brief voor Izabel achtergelaten op de keukentafel. Zo dat Izabel hem kon vinden. Elke paar weken schreef ik haar nieuwe brieven en vertelde ik haar hoeveel ik van haar hield. Ik ben weggegaan om wat extra´s te verdienen om voor ons een beter leven te kunnen opbouwen. Ik deed voor Izabel. Ik wilde haar een betere toekomst bieden. Aert, je kent mij toch. Je weet hoe ik ben.’
Aert was even in de gedachten toen keek hij Jacob recht in zijn ogen keek. Daarna zei hij: ‘Dat weet ik, Jacob. Ik geloof je. Maar waar zijn de brieven gebleven?’

Jacob zei niets. Hij werd bleek in zijn gezicht. Zijn lichaam deed pijn. Hij voelde de koude rillingen over zijn rug lopen.
‘Oh God, niet Izabel. Niet mijn lieve vriendin. Het kan niet waar zijn dat Izabel dood is,’ riep hij.
Aert bood hem een stoel om te gaan zitten en haalde een glas water. ‘Gaat het, Jacob?’ vroeg Aert. ‘Je ziet wat bleekjes.’
‘Als Izabel dood is, dan is dat mijn schuld,’ zei Jacob. ‘Ik had zo´n haast om weg te gaan. Nu zeg ik: had ik het haar persoonlijk maar verteld.’

Hij stond op en zei: ‘We moeten haar zoeken, we moeten haar vinden, dood of levend, maar we moeten haar vinden.’
‘Morgen gaan we zoeken,’ zei Aert. ‘jij weet de plekken waar Izabel graag heen ging.’
‘Ja,’ zei Jacob. ‘Ik ken wat plaatsen waar Izabel graag kwam.’
Hij beloofde zichzelf haar te vinden. Koste wat het kost, wilde hij haar vinden. Dat is hij haar verschuldigd.
Het was nu ongeveer negen maanden geleden dat Izabel spoorloos was. De kans dat ze nog in leven is, was klein, dacht Aert. Wat hem dwars zat was het feit dat de brieven die Jacob naar Izabel had gestuurd nooit waren aangekomen. Waar waren die gebleven?
De volgende dag, meteen na het ontbijt, begonnen Jacob en Aert aan hun speurtocht Ze bezochten alle plaatsen waarvan Jacob dacht dat Izabel daar het liefste heenging. Zonder succes. Later vroeg Jacob aan Aert of hij ooit in de kelder van het Slot had gekeken.

‘Ja, dat hebben we. Maar helaas, leverde dat ook niets op,’ zei Aert.
‘Laten we daar nog een keer gaan kijken,’ zei Jacob en liep het Slot van Capelle binnen en liep rechtstreeks naar de kelder, gevolgd door een verbaasde Aert. ‘Daar hebben we toch al gezocht,’ protesteerde hij. Ze liepen toch door, tot diep in de kelder. Jacob stopte bij een kleine deur die Aert niet eerder was opgevallen. Ze gingen naar binnen, keken om zich heen, toen Jacob riep: ‘Aert. Kijk daar boven hangt wat.’

Aert keek in de richting van de plek die Jacob aanwees. Ze schrokken. ‘Oh, God,’ riepen ze samen, toen ze een stoffelijk overschot aan een touw zagen hangen. Een vrouw, gekleed in en lange zwarte rok, een licht linnen bloes en een wit kapje op haar hoofd. Ze wisten het meteen: dit is Izabel. Jacob kreeg geen lucht meer en begon te hyperventileren. Toen hij dreigde om te vallen kon Aert hem nog net opvangen.
Na lange voor zich uit te hebben gestaard, zei Aert tegen Jacob dat ze de vondst van Izabel moesten gaan melden. Jakob had echter niet de kracht om terug te lopen. Zijn lichaam voelde stijf aan. Van binnen was hij leeg en gebroken. Izabel. Zijn geliefde, die was dood.