Nietverloren van J.M. Coetzee

Uitgeverij Cossee heeft een nieuwe reeks: de Broekzakbibliotheek. Een serie bundels in klein formaat (17 x 11 cm), die zoals als de naam al zegt, gemakkelijk even bij je te steken zijn. In het deeltje Nietverloren van Nobelprijs voor de Literatuur-winnaar J.M. Coetzee, probeert in het eerste verhaal Een huis in Spanje, een ouder wordende man een verklaring te vinden voor de afkalvende intermenselijke liefde, terwijl de liefde voor objecten juist schrikbarend is toegenomen. ‘Wat als de ziel, waarvan hij altijd heeft gedacht dat ze van een tijdloze substantie was, uiteindelijk niet tijdloos is, maar bezig is lichter en minder serieus te worden, zich aan te passen aan de tijd?’

Komt uitgeverij Cossee met deze handzame bundels tegemoet aan de toegenomen gehaastheid bij de mens, die de blik voornamelijk heeft gericht op de digitale prothese? De reeks kan eerder gezien worden als een introductie-vehikel. Excerpten uit belangwekkend werk kunnen lezers wellicht over een oeuvredrempel helpen. Het staat buiten kijf dat Coetzee een aantal meesterwerken heeft geschreven, het bekende In ongenade voorop. Maar het vreemde is dat ondergetekende steeds weer een scène voor zich ziet, die zich jaren her heeft voorgedaan. De schrijver die, terwijl hij in zijn werk grotendeels verscholen is, steeds weer in het lezersbrein opduikt. J.M. Coetzee was in Amsterdam en hare majesteit koningin Beatrix had het behaagd om aan hem een hoge koninklijke onderscheiding te verlenen.

Het uitreiken werd overgelaten aan de toenmalige Amsterdamse wethouder van cultuur Carolien Gehrels. Het is altijd handig om een speech die overduidelijk niet door jezelf is geschreven van tevoren even door te nemen, zeker wanneer je Engels de steenkolenmijnen nauwelijks heeft verlaten. Zo noemde Carolien Coetzee een ‘laaiezoon officier’, waarmee ze doelde op diens verbindingsfunctie. De topattractie van die middag was het knullige opspelden zelf. De wethouder moet de gehuldigde beslist pijn hebben gedaan, een straaltje bloed liep over zijn smetteloze hemd. De schrijver bleef onbewogen, de stoa die hij is, of als beschermhoes gebruikt. Geen dankwoord, geen speech, interviews niet toegestaan. Dat beeld sluipt sindsdien onherroepelijk in elke tekst. Dat doet overigens niets af aan de kwaliteit.

De oudere man heeft een huis in Spanje gekocht. Een puur rationele keuze eerder. Hij weet dat hij er wordt gedoogd, licht bespot, de buitenstaander die nu eenmaal geld in het laatje brengt, de vreemde eend in de dorpse bijt die zich aan ongeschreven regels dient te houden. Klusjes uitbesteden bijvoorbeeld. Coetzee onderzoekt de kribbigheid van de oudere man in het algemeen. Is het wellicht gebaseerd op jaloezie, de afgunst op de jeugdige onbezonnenheid, de liefde nog zonder veel haken en ogen. De man heeft met betrekking tot zijn huizen geen herinnering aan wat voor een emotie dan ook. Het type dat zich overal en nergens thuis voelt, zeg maar, waar hij zijn hoed legt. Ook zijn kijk op het huwelijk is pragmatisch. Toch denkt hij na over de vrouwen in zijn leven. Is er toch nog een sprankje verlangen dat niet is gestild? Kan hij dat toch wellicht in het huis kwijt? Zal er toch iets meer dan een verstandshuwelijk ontstaan?

Hij en zijn man is de rede die Coetzee hield bij de uitreiking van de Nobelprijs. Een relaas geënt op het beroemde eilandverhaal van Robinson Crusoe. Coetzee heeft het in feite over zijn eigen Vrijdag, over zijn eigen ziel na de redding van het eiland. ‘Komend van een eiland waar hij een zwijgzaam leven had geleid totdat Vrijdag arriveerde, vond hij dat er op de wereld te veel werd gepraat.’ Hij is gewend geraakt aan de eenzaamheid. Door het optekenen van zijn avonturen, heeft hij zich verzoend met het schrijven. Een aangename ontspanning. Een zweem van zelfspot. De voetstap van Vrijdag geeft de dualiteit mooi weer. Een tweeledig teken. Je bent niet alleen, maar ook: een vlucht is niet echt mogelijk. Coetzee steekt jonge schrijvers nog een hart onder de riem. Er zijn maar een handje vol verhalen in de wereld. Als het jongeren verboden wordt om de ouderen ‘te plunderen’ kunnen ze niets anders dan zwijgen. Daaruit spreekt mildheid.

Het afsluitende titelverhaal, Nietverloren, is vertaald door Gerbrand Bakker. Een stil protest tegen de verkwanseling van erfgoed in het algemeen, het gebruik van de geschiedenis als handelswaar. Het land dat niet meer bewerkt wordt, de boerderij die niet verloren is gegaan omdat er toeristenroofbouw wordt gepleegd. Maar feitelijk is er niets meer over van de authentieke Karoo-boerderij. Het is een façade geworden, een flauwe afspiegeling van het ware verhaal. Het is cynisch, maar daarom niet minder waar: ‘Het enige gewas dat tegenwoordig lonend kunt verbouwen is de mens.’ Een land een beetje opknappen en in de markt zetten. Een wereldwijde vorm van commerciële verloedering. Maar wat kan het individu daaraan doen?