Mijn favoriet: Jaja de oerknal

Ik ben geen poëzielezer. Jaja de oerknal van Maria Barnas had ik al snel in een hoek van de bank gesmeten. Anders dan bij proza, krijg ik niet zo makkelijk toegang tot een gedicht.

Maar na een week of twee kon ik het toch opbrengen de bundel nogmaals ter hand te nemen. Het irriteert mij als ik iets niet begrijp. Begrijpen is noodzakelijk om, net als Barnas probeert met haar poëzie, grip te krijgen op de werkelijkheid. Alleen dan voel ik mij daadwerkelijk deel van de wereld waarin ik leef.
Ik probeerde niet langer het geheel te overzien, alles te begrijpen, maar tot mij sprekende formuleringen en fragmenten te vinden. Beginnend met losse zinnen en titels, als ‘Er staat een man aan de hemel’, wat mij ontroerde, de ‘Minderende man’, die ik herkende en ‘ze legde me uit wat bioritme is./Ik zag een zee in haar deinen’, waarvan ik in de lach schoot, ontdooide ik. Ik las hardop:

‘Wanneer het oog het landschap wervelend
en ondersteboven op het netvlies vangt
rijd ik over de snelweg in een gekanteld land
en blijf ik aan een scheurende hemel hangen.’

Klank en ritme namen mij over. De zingende taal haalde mij binnen. En ik bleef. Ook toen tot mij doordrong wat ik las. Dat het onderwerp van het gedicht over de kop ging met een heel waarschijnlijk niet zo prettig gevolg. Niet eerder heb ik iemand zo mooi een ongeluk zien beschrijven. Ik vloog mee, in vertraging. Dit kon niet anders dan goed aflopen. En ja hoor. Ik werd gerustgesteld door het einde van het gedicht: ‘Er is een solide grijze lucht/en ook al licht om mijn val te breken.’ Zie je wel.

Nu begon ik er plezier in te krijgen. In Ik is een vlag las ik:
‘Zolang we lopen doen we met elke stap
een stap in het ongewisse en kunnen we ons

in de geel kermende bermen in de lome namiddag
en in voorbeeldige wrakken langs de afkoelende
rivier als verlaten huizen in elkaar vergissen.’


De geel kermende bermen doen me pijn, de lome namiddag samen met de zinsnede ‘zolang we lopen’, maakt dat het niet ophoudt. De voorbeeldige wrakken klinken mooi maar absurd, zoals de grootste ellende en pijn vaak voelt en de afkoelende rivier en verlaten huizen voorspellen weinig goeds. ‘De situatie is hopeloos, maar niet ernstig’, zogezegd. En toch. Zoveel mooie klanken op een rij verwarmen.

Barnas heeft mij bekeerd. Dankzij Jaja de oerknal denk dat ik toch nog een poëzielezer ga zijn.